2050 lijkt nog ver weg, maar de keuzes die nu worden gemaakt bepalen mede hoe de regio Stedendriehoek zich richting die tijd ontwikkelt. Daarom werkt Regio Stedendriehoek samen met het Rijk, twee provincies, drie waterschappen en de acht gemeenten aan het Ontwikkelperspectief 2050. Het Ontwikkelperspectief geeft richting aan de ontwikkeling van de regio, met het doel: behoud en versterking van de brede welvaart. Het geeft inzicht in welke keuzes dat vraagt op het gebied van wonen, werken, natuur, voorzieningen, energie en bereikbaarheid en op welke manier dat wordt ingevuld.
Over waar we nu staan, welke keuzes daarbij horen en hoe je met zoveel partijen samen naar 2050 kijkt, gingen we in gesprek met Peter Messerschmidt, bestuurlijk trekker van het Ontwikkelperspectief, Regina Oosting, plv. Directeur Ruimtelijke Ontwikkeling en Afdelingshoofd NOVEX-gebieden bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Bas van den Hurk, projectleider Ontwikkelperspectief 2050.
Juist bij ruimtelijke ontwikkelingen is het belangrijk om verder vooruit te kijken, legt Peter Messerschmidt uit. Procedures op dit terrein kennen vaak een lange doorlooptijd en veel ontwikkelingen vragen ook om een zorgvuldig proces.
Het is daarom goed om als overheden gezamenlijk te kijken naar de maatschappelijke opgaven waar we voor staan, hoe we daaraan samen kunnen werken en waar mogelijk gezamenlijk kunnen optrekken. Door opgaven in samenhang te bekijken, kan beter worden bepaald welke keuzes nodig zijn voor de ontwikkeling van onze regio op de langere termijn en voor een toekomstbestendige, leefbare en economisch sterke regio.
Een belangrijke maatschappelijke opgave is wonen. Daarnaast komen er steeds meer en andere vraagstukken samen in de ruimte, zoals klimaatverandering, water en bodem. Dat is zeker relevant in een regio waar de Veluwe overgaat in de IJsselvallei. Door klimaatverandering hebben we steeds vaker te maken met verdroging van de Veluwe. Dat brengt risico’s met zich mee voor onder meer natuur, landbouw, waterbeschikbaarheid en de leefomgeving. Tegelijk kunnen perioden van veel neerslag juist leiden tot wateroverlast. “Als je in de zomer naar de IJssel kijkt, staat er bijna geen water in, maar als je er van de winter langskomt, dan staat er weer te veel water in”, zegt Messerschmidt. “Dat is een gegeven en daar moeten we met elkaar op anticiperen.”
Bij ruimtelijke keuzes is het belangrijk om niet alleen te kijken naar wat vandaag nodig is, maar ook naar de gevolgen en kansen voor de komende decennia. Hoe willen we dat onze regio eruitziet en hoe zorgen we ervoor dat wonen, natuur, water, bodem, klimaat en economie daarin op een goede manier samenkomen? Tegelijkertijd moet de regio een aantrekkelijk gebied blijven om te wonen én te werken. Ook de economische ontwikkeling en de kracht van de regio op de langere termijn verdienen daarbij nadrukkelijk aandacht.
Vanuit het Rijk wordt gewerkt aan de Nota Ruimte, een nationale omgevingsvisie. Dit is het instrument om op nationaal niveau in samenhang keuzes te maken over de fysieke leefomgeving van de verschillende regio’s in Nederland. De regio Stedendriehoek wordt gezien als een gebied waar groei in woningbouw en economie mogelijk is. “Zeker gezien de centrale ligging van de regio: dicht bij de Randstad en andere stedelijke regio’s als Arnhem-Nijmegen, Zwolle en Twente”, zegt Regina Oosting. Deze regio’s als geheel vormen een goed functionerend netwerk, dat verder kan worden versterkt. De aanwijzing van grootschalige woningbouwlocaties in Apeldoorn en Deventer past daarbij. De toekomstige groei aan inwoners en economie wordt in het Ontwikkelperspectief in samenhang bekeken met het natuurlijke systeem, de woningbouwopgave en de economie. Ook bereikbaarheid is daarbij een belangrijk vraagstuk. Zo kijkt ook het Rijk op langere termijn naar hoe Nederland zich ontwikkelt en welke plek de regio Stedendriehoek daarin heeft. Wie alleen naar de komende vijf jaar kijkt, kan er bijvoorbeeld later achter komen dat een woningbouwlocatie te kwetsbaar is in relatie tot de rivieren. Met de ambitie om in 2050 volledig klimaatneutraal energie op te wekken, is ook de vraag waar daarvoor ruimte is belangrijk.
Volgens Oosting is het belangrijk dat de betrokken partijen een gezamenlijk beeld hebben van hoe de regio er op langere termijn uit kan zien. Gemeenten, provincies, waterschappen, de regio en het Rijk hebben ieder hun eigen rol, maar hebben elkaar daarbij nodig. Als zij hun denkbeelden en plannen op elkaar afstemmen, kunnen besluiten die de komende jaren worden genomen beter op elkaar aansluiten. De plannen moeten daarbij, zoals het in het gesprek wordt verwoord, als ‘matroesjkapoppetjes’ in elkaar passen. Bas van den Hurk spreekt in dat verband over ‘grensontkennend samenwerken’: samenwerken over de grenzen van organisaties en bestuurslagen heen. Dat is volgens hem iets wat partijen moeten leren en wat niet altijd vanzelfsprekend is. De Regio Stedendriehoek is een mooi voorbeeld van hoe krachtig dit is, met het Ontwikkelperspectief straks als belangrijke stap.
Het Ontwikkelperspectief bouwt voort op eerdere stappen in de regio. Het regioarrangement vormde daarvoor de basis. In de Contourenschets zijn vervolgens door de regio verschillende mogelijke ontwikkelrichtingen voor 2050 verkend, waarbij is geoefend met grensontkennend samenwerken. Daarbij was het nadrukkelijk niet de bedoeling om één van de onderzochte richtingen te kiezen. Wel werd duidelijk dat een optelsom van bestaande plannen geen wenselijke uitkomst was. Volgens Van den Hurk heeft die Contourenschets mede geleid tot het besluit om een verstedelijkingsstrategie en Rijk-regiosamenwerking op te zetten. Het Ontwikkelperspectief vormt daarvan de eerste fase. De varianten zijn begin dit jaar uitgebreid besproken en de komende tijd wordt toegewerkt naar het ontwerp Ontwikkelperspectief dat in het najaar richting alle betrokken partijen gaat voor een reactie. De bedoeling is dat de gemeenteraden het perspectief voor de zomer 2027 vaststellen. Daarna volgt de fase waarin wordt nagedacht over hoe te komen tot de gewenste ontwikkelingen in 2050. Wat is daarvoor nodig?
In de inhoudelijke keuzes krijgt het natuurlijke systeem een belangrijke plek. “Dat natuurlijke systeem, dat is eigenlijk de basis”, zegt Van den Hurk. “Vanuit dat perspectief bouw je of ontwikkel je daar waar het kan.” Volgens hem maakt dat verdere ruimtelijke keuzes logischer. Ook de verschillen tussen de acht gemeenten spelen daarin een rol. Volgens Messerschmidt is in het proces duidelijk geworden dat zij elkaar niet alleen nodig hebben, maar dat zij elkaar ook verder versterken. Er is bewust niet gekozen voor een optelsom van bestaande plannen. Messerschmidt vergelijkt dat beeldend: “Alle gemeentelijke omgevingsvisies op een stapel leggen met ‘een nietje erdoor’ is iets anders dan opnieuw naar het geheel kijken op de schaal van de regio.” “We gaan echt iets nieuws doen met elkaar”, zegt Oosting. Bestaande plannen worden daarbij niet terzijde geschoven, maar samengebracht tot één visie die past bij de identiteit van de regio. Ze noemt het bestuurlijke moed dat daarvoor ruimte is gemaakt. Dat kan volgens haar namelijk ook betekenen dat processen die al langer lopen, moeten worden aangepast.
Messerschmidt benadrukt dat de richting van onderaf wordt opgebouwd en dat vanaf het begin is gezegd dat het niet alleen over woningbouw kan gaan. Ook mobiliteit en natuur moeten worden meegenomen. Het door de raden vastgestelde kader voor brede welvaart hielp daarbij om niet naar afzonderlijke opgaven te kijken, maar naar het totaalpakket. “We doen dit voor huidige en toekomstige inwoners”, zegt Messerschmidt. “Dit is niet een feestje van bestuurders.”
Een dergelijk perspectief voor 2050 wordt niet op een bierviltje uitgetekend. Bij de totstandkoming van het Ontwikkelperspectief denken veel verschillende partijen mee. Gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk brengen inhoudelijke kennis in en ook externe bureaus zijn betrokken bij verschillende thema’s en vraagstukken. De inzichten worden in grotere en kleinere bijeenkomsten verder besproken en vertaald. Ook raden, jongeren en andere organisaties zijn op verschillende momenten betrokken. “We bouwen het echt met elkaar op”, zegt Van den Hurk. Inzichten uit die verschillende gesprekken worden gedurende het proces opnieuw verwerkt.
De nieuwe gemeenteraden krijgen daarbij nadrukkelijk aandacht. Er zijn raadsconferenties, gesprekken en werksessies georganiseerd om hen mee te nemen in het proces en ruimte te geven voor vragen en feedback. Messerschmidt ziet daar ook een voordeel in: nieuwe raadsleden beginnen voor een deel blanco en stellen opnieuw vragen over waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt. Dat werkt volgens hem als een toets of de eerder getrokken conclusies nog steeds overeind blijven en dat blijkt tot nu toe het geval.
Hoewel de richting steeds duidelijker wordt, zijn er ook nog onzekerheden. Van den Hurk noemt de toekomst van de IJssel als een belangrijk voorbeeld. Hoe wordt in de toekomst omgegaan met ontwikkelingen in de uiterwaarden of in de nabijheid van de IJssel? Op die vraag is volgens hem nog geen concreet antwoord, terwijl die wel bepalend is voor hoe daar invulling aan wordt gegeven.
Oosting benoemt daarnaast de bereikbaarheidsopgave. Ook daar liggen volgens haar nog vraagstukken voor de komende jaren. Vanuit de regio is bijvoorbeeld de wens aangegeven om de noord-zuidverbindingen verder te versterken, terwijl op nationaal niveau de west-oostverbinding een heel belangrijke rol heeft. Het Ontwikkelperspectief geeft straks richting, maar nieuwe ontwikkelingen moeten ook kunnen worden opgevangen. “We hebben wel een hoofdlijn met elkaar te pakken, denk ik”, zegt Oosting. “Die ruimte moet laten om te kunnen inspelen op ontwikkelingen die zich onderweg voordoen.”
Hoe 2050 er precies uitziet, weet niemand. “Niemand heeft een glazen bol”, zegt Messerschmidt. Toch vindt hij het belangrijk om op basis van de kennis van nu een visie neer te leggen voor de richting waarin de regio zich wil ontwikkelen. Het Ontwikkelperspectief is daarbij een stip op de horizon. De visie moet volgens hem scherp zijn, maar dat betekent niet dat alles richting 2050 al ‘in beton’ moet worden gegoten. Vanuit die scherpe visie kan de verdere uitwerking daarna steeds concreter worden.
Juist daarom blijft ook de samenwerking belangrijk. Volgens Oosting is het netwerk er inmiddels, weten de partijen elkaar te vinden en is het belangrijk om elkaar op de hoogte te houden en met elkaar in gesprek te blijven. Zo kunnen zij ook de komende jaren inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Want met het vaststellen van een perspectief is de samenwerking niet klaar. In die zin is het een samenwerking zonder einddatum.